Het centrale deel van het inburgeringsexamen bestaat uit drie onderdelen:
- het Elektronisch Praktijkexamen
- de Toets Gesproken Nederlands
- Kennis van de Nederlandse Samenleving.
Deze toetsen worden met behulp van de computer afgenomen.
Dit examen is gebaseerd op de cruciale praktijksituaties die ook gelden voor de praktijkexamens (portfolio en assessment). De kandidaat moet vragen beantwoorden over cruciale praktijksituaties met betrekking tot burgerschap. Verder krijgt hij vragen die bij zijn profiel passen. Er wordt hierbij rekening gehouden met het verschil in taalvereisten tussen oudkomers en nieuwkomers.
Het examen is niet altijd even lang. De meeste examens hebben 43 vragen, maar het kan ook voorkomen dat een examen wat minder vragen heeft. Voor de kans om het examen te halen maakt dat overigens niet uit. De kandidaat moet minimaal 73% van de vragen goed beantwoorden om te slagen. De kandidaat krijgt 60 minuten de tijd om het examen te maken. Op het computerscherm ziet de kandidaat precies hoeveel vragen hij nog moet maken en hoeveel vragen al beantwoord zijn. Hij kan dus tijdens het examen goed inschatten of hij nog genoeg tijd heeft voor de vragen die hij nog moet maken.
Het examen wordt via de computer gedaan. Tijdens het examen krijgt de kandidaat een aantal korte filmpjes te zien. Bij die filmpjes horen vragen. Bij het ene filmpje horen meer vragen dan bij het andere. Daardoor is het examen niet altijd even lang. De meeste examens hebben 43 vragen, maar het kan ook voorkomen dat een examen wat minder vragen heeft.
Voor de kans om het examen te halen maakt dat niet uit; de kandidaat moet minimaal 62% van de vragen goed beantwoorden om te slagen. Het examen duurt 45 minuten. Op het beeldscherm wordt aangegeven hoeveel vragen nog gemaakt moeten worden en hoeveel vragen al beantwoord zijn. De kandidaat kan dus zelf goed bijhouden hoeveel tijd hij nog heeft.
